Ontdek onze andere adviezen >

 

Van moetivatie naar motivatie

Waarom motivatie belangrijk is in de schoolcontext

 

Vindt je kind geschiedenis maar niks? Of vindt hij talen niet interessant omdat hij toch wetenschappen gaat volgen? Dan is hij misschien ook niet gemotiveerd om te studeren voor dat vak. Het is normaal dat kinderen niet alles graag doen en niet voor elk vak in dezelfde mate gemotiveerd zijn. Motivatie is geen stabiel gegeven en is ook grotendeels tijds- en situatie gebonden.

 

Motivatie, wat is dat eigenlijk?  

De definitie van motivatie is ‘de bereidheid tot het stellen van een bepaald gedrag’. Met andere woorden is het de zin die iemand heeft om zich te investeren in een bepaalde taak om tot een resultaat te komen. Die zin is afhankelijk van erg veel verschillende factoren en kan breed worden opgevat. Motivatie is dynamisch: het kan evolueren in de tijd.  Er zijn dan ook verschillende vormen van motivatie te onderscheiden.

 

De eerste vorm is de zogenaamde gecontroleerde motivatie.  Dit is de motivatie die de leerling zal ervaren als hij het gevoel krijgt dat hij moet presteren omwille van de verwachtingen die anderen hem opleggen (extern), of die hij zichzelf oplegt (intern). We spreken van externe gecontroleerde motivatie bij een leerling die enkel studeert omdat hij bijvoorbeeld anders niet naar de scouts mag gaan van zijn ouders. Bij interne gecontroleerde motivatie is het de leerling die zichzelf een druk oplegt. Die interne druk komt vaak voort uit vergelijking met anderen: de leerling legt zichzelf een druk op omdat hij denkt dat hij bepaalde zaken moet kunnen of doen om te slagen in het leven. Als de leerling zichzelf te veel druk oplegt, kan hij niet aan zijn eigen verwachtingen voldoen en voelt hij zich gefaald. Dit kan resulteren in faalangst.

 

Kort samengevat is bij de beide vormen van gecontroleerde motivatie sprake van moetivatie: de leerling voert enkel taken uit vanuit een gevoel van moeten,  al dan niet om redenen die buiten hemzelf liggen. Hij zal dit minder lang volhouden en minder moeite doen om aan een taak te werken.

 

Een tweede vorm van motivatie noemen we autonome motivatie. In deze context voert een leerling taken uit vanuit zijn eigen wil. Ook bij autonome motivatie onderscheiden we twee vormen: extrinsiek en intrinsiek. Bij extrinsieke autonome motivatie heeft de leerling het gevoel dat de taak die hij uitvoert zinvol, en in zekere mate belangrijk is voor zichzelf. Dit wil echter niet zeggen dat hij de taak graag zal doen. Een duidelijk voorbeeld is een leerling die goed studeert in het middelbaar, terwijl hij weet dat hij niet verder zal gaan studeren. Hij heeft extrinsieke autonome motivatie: hij studeert voor zichzelf zonder dat het hem wordt opgelegd omdat hij graag een diploma wil van het middelbaar, terwijl hij de vergaarde kennis daarna niet noodzakelijk nog zal gebruiken.

 

De tweede categorie, intrinsieke autonome motivatie, is het ideale scenario. De leerling voert taken uit vanuit een oprechte interesse, omdat hij er plezier aan beleeft en de taak op zich is voor hem belonend. Iemand die al zijn hele leven kok wil worden en eindelijk naar de koksschool kan, zal voor de opleiding bijzonder gemotiveerd zijn. De motivatie om van zijn passie zijn beroep te kunnen maken is in dit geval intrinsiek autonoom.

 

Geen exacte begrippen

Zelfs wanneer een leerling over het algemeen autonoom intrinsiek gemotiveerd is voor zijn studie of hobby, zal hij hij niet voor alle vakken of onderdelen even gemotiveerd zijn. Het kan zijn dat iemand bijvoorbeeld heel graag psychologe wil worden en dus kiest voor deze studierichting. Voor bijvoorbeeld sociale psychologie of ontwikkelingspsychologie zal hij heel goed studeren en fantastische punten halen. Echter, in deze opleiding krijgt de student ook vakken zoals statistiek die de leerling over het algemeen minder graag doet omdat dit minder aansluit bij het onderwerp ‘psychologie’. De student zal hier minder motivatie voor hebben en er dus ook minder tijd aan besteden.  Dat is logisch: je kan nooit alles leuk vinden en motivatie is bijgevolg heel erg afhankelijk van persoonlijke interesses.

 

Het is erg moeilijk om iemand te verplichten een bepaalde taak leuk te vinden. Daarom kan het best ingezet worden op het stimuleren van autonome, extrinsieke motivatie, omdat dit een positieve vorm is van extrinsieke motivatie. De leerling zal een taak nog steeds niet doen vanuit een oprechte interesse, maar wel omdat hij het belang ervan onderkent.  Als de leerling uit voorgaand voorbeeld beseft dat hij uiteindelijk op het einde van het schooljaar geslaagd moet zijn voor alle vakken en daarnaast ook een manier vindt om het voor zichzelf interessanter te maken (bijvoorbeeld geschiedenis studeren adhv. historische films en tijdlijnen), kan dit zijn motivatie al bevorderen.

 

Het belang van positieve motivatie in de schoolcontext

Motivatie kan gekaderd worden binnen de zelfdeterminatietheorie van Amerikaanse Edward L. Deci & Richard Ryan. Zij gaan er van uit dat er 3 psychologische basisbehoeften zijn, namelijk autonomie, competentie en verbondenheid. Zij claimen dat intrinsieke motivatie kan verhoogd worden als aan deze 3 behoeften wordt voldaan.

 

Autonomie is de mogelijkheid om eigen keuzes te maken. Iemand is dus autonoom als die kan handelen zonder het gevoel te hebben dat het wordt opgelegd. Een leerling de keuze geven in het onderwerp voor een verplicht opstel, kan het autonomiegevoel bevorderen.

 

Als voldaan is aan de behoefte competentie, dan heeft de leerling vertrouwen in zijn eigen kunnen. Een leerling moet het gevoel hebben dat de resultaten die hij behaalt, het resultaat zijn van zijn eigen kunnen. Zo ontstaat een zeker gevoel van controle over de eigen handelingen. Het is bijvoorbeeld belangrijk om haalbare verwachtingen te stellen aan een leerling, zodat er voldoende uitdaging is, maar ook de mogelijkheid om effectief het doel te behalen. Kortom: de lat mag niet te laag liggen, maar ook niet te hoog. Het is belangrijk hier het juiste evenwicht in te vinden.

 

Tot slot verbondenheid: als een leerling het gevoel heeft dat hij kan vertrouwen op anderen, voelt hij zich verbonden. Dit gaat over relaties met zowel ouders en familie, als klasgenoten en leerkrachten. Het is belangrijk dat een leerling vragen durft stellen en niet bang is om fouten te maken.

 

 

De zelfdeterminatietheorie gaat ervan uit dat wanneer voldoende beantwoord is aan de behoeften van een leerling binnen deze 3 domeinen, de intrinsieke motivatie stijgt. Dit klopt zeker, maar is geen wondermiddel. De motivatiegraad blijft natuurlijk ook grotendeels afhankelijk van andere factoren zoals bijvoorbeeld persoonlijke interesse en omgeving.

Intrinsieke motivatie leidt op zijn beurt tot positieve effecten op het studeren. Allereerst zal een leerling betere resultaten behalen. Daarnaast zal hij ook geconcentreerder werken en hierdoor de materie beter en inzichtelijker verwerken. Tot slot is een intrinsiek gemotiveerde leerling minder faalangstig, omdat hij niet vanuit een competentiegevoel maar volgens zijn eigen interesses en belangen een taak uitvoert.

 

Hoe kan ik intrinsieke motivatie stimuleren bij mijn kind?

Als je merkt dat je kind zich eerder in de meer gecontroleerde fase van motivatie bevindt, kan je hier zelf op inspelen. Met de 3 psychologische basisbehoeften (autonomie, competentie en verbondenheid) in het achterhoofd, geven wij een aantal tips mee om motivatie bij je kind te stimuleren.

 

  • Moedig je kind aan om een vak eens op een ander manier aan te pakken indien het moeilijk verloopt en begeleid hem daarin ook.
  • Probeer altijd constructief om te gaan met faalervaringen van je kind. Indien hij een slechte toets heeft afgelegd, bekijk dan wat er fout is gegaan en hoe hij het in de toekomst anders kan aanpakken. Zo wordt het een leerervaring en heeft je kind niet het gevoel dat het niet voldaan heeft aan de verwachtingen.
  • Bekrachtig je kind door complimenten te geven op hoe het iets heeft gedaan in plaats van op wat het heeft gedaan (Wauw, ik zie dat je echt je best hebt gedaan voor deze taak! In plaats van ‘wauw, wat een goed rapport!). Zo voorkom je dat je kind zich gaat vergelijken met anderen of het gevoel heeft dat het vanaf nu altijd hetzelfde resultaat moet behalen.
  • Praat niet over je kind, maar met je kind. Als er een probleem is kan je het beste samen met je kind zoeken naar een oplossing door ook eens naar zijn standpunt of mening te luisteren.

 

Kato De Plecker

Pedagogisch Adviseur My Sherpa

 

 

Nog vragen? Neem zeker contact met ons op!

My Sherpa biedt bijlesprogramma’s aan huis aan om studenten voor te bereiden op het Internationaal Baccalaureaat. Ook begeleidingen studiemethode of een evaluatiecheck-up behoren tot de mogelijkheden.
Een pedagogisch adviseur zal contact met u opnemen om samen de situatie van uw kind te analyseren, met u de verschillende mogelijkheden te bespreken en u een geschikt bijlesprogramma voor te stellen.
  • Dit veld is bedoeld voor validatiedoeleinden en moet niet worden gewijzigd.

 

Meer lezen over dit onderwerp?

 

Deci, E.L., & Ryan, R.M. (1985) Intrinsic motivation and self-determination in human behavior. New York: Plenum.

 

Verbeeck, K. (2010). Op eigen vleugels. Autonomie voor kinderen in het basisonderwijs. ’s-Hertogenbosch: KPC Groep in opdracht van het ministerie van OCW.

 

Vansteenkiste, M., Zhou, M., Lens, W., & Soenens, B. (2005). Experiences of autonomy and control among Chinese learners: Vitalizing or immobilizing? Journal of Educational Psychology97, 468-483. doi: 10.1037/0022-0663.97.3.468

 

Deci, E.L., & Ryan, R.M. (2000). Self-determination theory and the facilitation of intrinsic motivation, social development, and well-being. American Psychologist55(1), 68-78. doi: 10.1037110003-066X.55.1.68